Nieuws
Zeldzaam oorijzer gevonden bij de Zwette Iets ten zuiden van Scharnegoutum is in de grond aan de westelijke oever van de Zwette een oorijzer gevonden. Met zijn pasgekochte metaaldetector beproefde Nino Casolin zijn geluk en het was eigenlijk meteen raak. Met zijn schop stootte hij op een 18de-eeuws zilveren oorijzer.

We kennen het oorijzer nu van de Friese streekdracht. In zijn meest bekende en opvallende voorkomen was het een soort gouden helm die het vrouwen hoofd bedekte. Het werd gedragen onder een kanten floddermuts. Er waren in de 19de eeuw ook smallere varianten en oorijzers van zilver. De omvang en het gewicht van het oorijzer, maar ook de metaalsoort waren een uitdrukking van de mate van welstand van de draagster.
Oorspronkelijk was het oorijzer – de naam zegt het al – van ijzer. Het was een smalle metalen band, die diende om een vrouwenmutsje op zijn plaats te houden. De haken aan de voorzijde waren peervormig, maar kregen omstreeks 1750 de vorm van een vogelkop. In de 18de eeuw werden deze oorijzers soms ook uitgevoerd in zilver. De oudste oorijzers zijn dus zeer smal. Ze zijn zeer zeldzaam.
De vondst aan de Zwette is bijzonder omdat het een exemplaar uit 1778 betreft. Het jaartal is met een stippelgravure in het oorijzer aangebracht. Ook de initialen van de eigenares zijn in het oorijzer achtergelaten: DI (of DJ). Het is niet met zekerheid te zeggen wie dat was.
In 1778 trouwde Dieuke Iemes met Pytter Piers uit Scharnegoutum. Het zou kunnen dat zij het oorijzer toen heeft gekregen. Hoe ze het heeft verloren is een raadsel. Het kan met muts en al zijn afgewaaid en in de vaart terecht zijn gekomen. Het zou ook kunnen dat er sprake is van verdrinking.
Van de zeven 18de-eeuwse oorijzers die in de catalogus Fries Zilver (1967) worden genoemd, zijn er twee tevoorschijn gekomen uit de bagger van een gracht of een vaart. Hoe ze daar terecht kwamen is niet duidelijk.
Wat we wel zeker weten is wie het oorijzer heeft gemaakt. Het duidelijk leesbare meesterteken IR is het merk van Jan Rienstra, zilversmid in Sneek. Hij werd geboren in Sneek in 1745 en stierf er in 1832. In 1771 werd hij als meester toegelaten tot het Sneker zilversmidgilde. In 1773 vestigde hij zilversmederij aan de Potstaat (nu noordzijde van de Suupmarkt). In 1799 verhuisde hij naar de Singel.
Het zeldzame oorijzer, dat is gemaakt door een Sneker zilversmid, is door de vinder geschonken aan het Fries Scheepvaart Museum, waar het wordt geëxposeerd in de zilverzaal.